Militairen, waar ook ter wereld, hebben door de eeuwen heen behoefte gehad aan de beschikbaarheid van kantinedienstgoederen. Kantinedienstgoederen werden en worden gezien als moreelsgoederen. In die zin zijn personen en eenheden, die het aanbieden van kantinedienstgoederen (bijna altijd tegen betaling) tot taak hadden, door alle rangen heen zeer gewaardeerd. In de doctrine wordt cantinedienst zelfs aangemerkt als force multiplier.
Tot in de Tweede Wereldoorlog beschikte de Nederlandse krijgsmacht niet over een formele organisatie, die belast was met de bevoorrading en verkoop van kantinedienstgoederen. Het was vooral een aangelegenheid van particulieren: zoetelaars en later marketentsters. Uitbesteding was toen de normaalste zaak van de wereld.
De term “Adaptieve krijgsmacht”, die nu zo trendy is, bestond nog niet. Maar eigenlijk zou je moeten stellen, dat de krijgsmacht ooit uitermate adaptief was. L’histoire se repète!
Toen tijdens de mobilisatie 1939-1940 de behoefte aan cantinedienstgoederen in Nederland toenam, werd het Centrale Cantine Bedrijf (C.C.B.) in het leven geroepen door de ‘etappenintendant’. Door egoïsme was deze organisatie echter geen lang leven beschoren. Toch werd volgens de zelfde leest op 1 juli 1942 (nu 75 jaar geleden) in Engeland de Cantinedienst (Cadi) opgericht.
Daar waar de Cadi-organisatie vooral gericht was op de verzorging van kantines op de vredeslocaties, werd binnen het 1e Nederlandse legerkorps een eenheid opgericht, die specifiek belast was met kantinedienstverzorging te velde.